De start

Het begin:

De start met insulinepomptherapie wordt in veel gevallen poliklinisch gedaan, maar een korte ziekenhuis opname kan ook voorkomen. Dit verschilt per persoon.
Wanneer de dag is aangebroken voor de overstap dan is het een spannend moment, want je wordt afhankelijk van een ‘apparaat’ en u gaat zich op onbekend terrein begeven.
De duur van instellen verschilt per persoon en kan variëren van 1 tot 8 weken. Zeker de eerste dagen zal u lichaam moeten wennen aan de constante toediening van insuline en is het mogelijk dat u zich niet fit voelt. Dit hoort er allemaal bij om te zoeken naar de juiste basale verhoudingen van lichaam en pomp.

U staat er in het begin zeker niet alleen voor. Voordat de pomptherapie daadwerkelijk start heeft uw behandelteam al het nodige voorwerk verricht. Aan de hand van het aantal toegediende eenheden insuline met de pen heeft men al een eerste basale dosering voor u vastgesteld. Deze doseringen gaat u samen met de behandelaar invoeren in de pomp. Het is raadzaam om, in de tijd voor de overstap, iets over de pompbediening eigenhandig te maken. De handleidingen zijn op de website van de fabrikanten wel te vinden.
Om hypo’s te voorkomen zult u de avond voor de overstap minder langwerkende insuline moeten spuiten. De langwerkende insuline zal volledig gaan verdwijnen en zult u vanaf de overstap (ultra) kortwerkende insuline toegediend krijgen. Dit betekent wel dat bij verstoorde insuline toediening de bloedglucose waarden gelijk omhoog gaan.

De basale dosering:

De eerste basale dagdosis is van te voren voor u bepaald. Dit gebeurt door alle insuline eenheden die u met de pen spoot bij elkaar op te tellen en wordt in tweeën gedeeld; de maaltijdbolussen en de basale dosis, minus een bepaalde percentage. De basale dosis is de continue doorlopende afgifte per 24h en deze kan per uur verschillen. Deze dosering wordt afgestemd op de persoonlijke behoefte. Zodra de eerste basale dosering is ingesteld, infusieset is aangebracht, wordt de pomp gestart en vanaf dat moment wordt de insulineafgifte bepaald door de insulinepomp. De dagen daarna staan volledig in het teken van de basale bijstelling en wordt aan de hand van 7-punts + nacht metingen bepaald waar de basale standen bijgesteld moeten worden. De instellingen gebeuren poliklinisch, per telefoon of per mail. Deze dagen mag er bijvoorbeeld niet gesport worden omdat bij lichamelijke inspanning de insulinebehoefte anders wordt.

Zodra de basale afgifte goed is ingesteld, de bloedglucose schommelt zo tussen de 4 en de 8mmol/l dan mag er gesport worden. Bij het sporten daalt de insulinebehoefte en zal de basale dosering aangepast moeten worden. Met de pomp kunt u diverse profielen aanmaken. Voor dagelijks gebruik gebruikt u de STANDAARD profiel, voor het sporten een SPORT profiel voorzien van die basale doseringen die invloed hebben op uw lichaam tijdens en na het sporten, een WEEKEND profiel, weekend verschilt vaak van een normale werkweek, en als vrouw een MENSTRUATIE profiel. Dit vereist wel enig inzicht in uw diabetesregulatie.

Een ander zeer sterk punt van de insulinepomp is de functie Tijdelijke Basale Dosering (TBD)*. Bijvoorbeeld; u gaat een lichamelijke inspanning doen en prikt een bloedglucose van 5.1. Dit is mooie waarde, maar voor een lichamelijke inspanning te laag en bij de bolus berekening houdt u hier wel rekening mee. Tijdens de inspanning hoeft u de pomp niet af te koppelen, maar gebruikt de TBD functie*. U schat de lichamelijke inspanning in, stelt de TBD* in op ..% over een bepaalde tijd en gedurende deze tijd krijgt u minder insuline toegediend. Andersom kan ook en krijgt u meer insuline toegediend over de ingestelde tijd. Na afloop van de ingestelde tijd krijgt u een alarmsignaal en meet u een bloedglucose. Ik persoonlijk vindt dit een geweldige functie vooral bij het sporten. De TBD* instellingen staan niet vermeld in boekjes en/of op internet, maar dat moet u voor uzelf uitzoeken en uitproberen. Wees niet bang om de grens eens op te zoeken, maar wees wel voorzichtig.

 

 

 

De maaltijdbolus:

Het aantal eenheden insuline wat nodig is om de hoeveelheid koolhydraten op te vangen is per persoon verschillend. Men noemt dit in de praktijk koolhydraatratio. De insulinegevoeligheid speelt een belangrijke rol voor een bolus. ‘s Morgens is deze laag, neemt toe in de middag en neemt weer af in de avond en betekent dat u ‘s morgens meer insuline nodig bent dan ‘s middags. U gaat samen met uw internist, diabetesverpleegkundige en diëtist(e) de koolhydraat verhouding bepalen. Wanneer de koolhydraat verhouding bekend is dan is het mogelijk om de maaltijden en tussendoortjes goed op te vangen met een bolus.

De koolhydraten lopen als een rode draad door het leven met een insulinepomp, want koolhydraten zitten bijna in alle producten die we eten en drinken. Bij de insulinepomptherapie wordt de basale insulineafgifte veel constanter dan bij het spuiten van een langwerkende insuline en daarmee veranderd ook de koolhydratenratio. Een bezoekje aan een diëtist(e) is daarom wel aan te raden omdat hij/zij u inzicht kan geven over de koolhydratenratio. Kijk ook op de pagina ‘Bereken koolhydraatratio & insulinegevoeligheid’ hoe u dit zelf kunt berekenen.

Met een pomp bent u veel felxibeler en als u bijvoorbeeld uit eten gaat, en neemt een 3 gangen menu, dan kunt u per menugang een bolus te geven. Dus een bolus bij het voorgerecht, een bolus bij het hoofdgerecht en een bolus bij het nagerecht. Ikzelf ben er geen voorstander van om na het eten te gaan bolussen omdat het vergeten van een bolus aanwezig is. Uiteraard is dit een persoonlijke keuze.

 

 * De omschreven TBD functie is van de Accu-Chek Combo insulinepomp. Bij ander merken kan dit een andere benaming hebben en anders ingesteld moeten worden!

 

Vorige / Volgende

Reacties kunnen niet achtergelaten worden op dit moment.